|
schrijfsels
Below are the 23 most recent journal entries.
[ << Previous 25 ]
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2008.05.22 12.39
Verhaal voor de jeugd.
Hoi! Ik ben nieuw hier op Livejournal en begrijp dat deze interessante community dood is. Jammer. Toch nog maar een entry gepost. Misschien krijgen anderen dan ook weer inspiratie!
Ben begonnen met meerdere kinderboeken, maar weet niet echt of ik ermee door moet gaan. Teveel ander zaken die ook mijn aandacht vragen! Hieronder volgt het eerste hoofdstuk uit een verhaal dat al een tijdje in mijn hoofd rondspookt. Als iemand het leest.....kritiek is altijd welkom!
GERKESBANK
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2008.02.17 22.27
Wat jammer dat deze community zo dood is. Hoe dan ook als er nog enige mensen zijn die dit lezen alsjeblief, alsjeblief wil je heel erg kritisch zijn en eventueel wat tips geven over dit onderstaand verhaal?
(Computer is momenteel compleet gefucked dus ik kan mijn spelling etc. niet controleren. Mijn gramatica is ook fucked zoals altijd denk ik dus contructieve kritiek aub? Veel! ^-^)
( CLICK CLICK )
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2008.01.19 14.55
Porseleinen meisje
Gewoven felroze en groene sokken omwentelen je hark-dunne benen. Zwak en mistroostig, zeg je: "ik smaak niet". Rode haren tot op je onderrug en sproeten op je gezicht rond die bruine ogen, vol paniek. Je roept: "kijk naar me" zonder je mond te openen.
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2008.01.16 17.45
Ik Leef
Als introductie:
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2007.05.20 01.42
-_\\
Kerstavond… Kind achter raam. Vuurwerk buiten. Gelach. Geen sneeuw. Kerstverlichte herinnering aan spottende jeugd wurmt zijn weg door kaarslicht, drank en het flikkerende scherm. Hij ploegt de tijd weg bij dag door lagen vettige huisvrouwen en hun gillende kroost, en slaat overwerkte kassameisjes met de monsterbestelling van 20 losse blikken tweedehands pils hun laatste vonkje fragiele vastberadenheid dwars door hun slecht afgestelde krukken heen. En bij het vlieten van het licht, zijn klonterende stukjes vlammende was als een koor dat met lichtelijk valse noot zijn geluk bezingt, terwijl hij zijn beeltenis in elk reflecterend oppervlak vermijdt. Het is warm, hierbinnen, schemerig en geborgen.
Het is koud, van binnen, schemerig en verborgen. De tijd kruipt als een lauwe waas langs het gelige plafond, en haalt hem langzaam in. Dan is Zij er weer. Plots, onaangekondigd en klaar om te vluchten maar met naar hem uitgestoken hand. Trieste ogen achter glas, sprekend en angstaanjagend in hun reusachtige kennis; dan weer groen en dan weer blauw –ogen die dichters eenzaam hebben zien wegkwijnen; die het doek van zo velen hebben zien vallen door toedoen van hun eigen hand. De ogen van engelen. Haar mond, cynisch ietsjes scheef gehouden, vertaalt de absurditeit van Haar bestaan in klaterend geluid dat zoetjes gestalte geeft aan het besef van wat hij ziet. Rank van vorm, doch vreemd vermoeid; Haar lange hand beroert zijn wang en hij verdwijnt. Bijna. ‘Wat moeten we nou?’ Kleurt Zij het vacuüm in zijn hart, en zij lacht –verontschuldigend in uitstekende melancholie die hem bijna verwoest in Haar goddelijke aard. Hij maakt een zwak gebaar naar omgewoeld en loerend bed en, beseffende dat oneerbare voorstellen de kruipende walm van de tijd om hen heen tekenen als levervlekken op een bejaarde huid, legt uit dat slechts dromen zijn waar liefde ieder ander in slaap zingt. Ze begint zachtjes te huilen. Want Soms ontmoet hij Haar in een wegrestaurant in een ver en noordelijk land. Soms ontwaard hij Haar aan het eind van een lange gang op een of ander obscuur feest waar geen van tweeën eigenlijk wil zijn. Soms vloeit Haar allesverzengende schoonheid tussen gordijnen van kwade regen door, langs een vergeten brug hoog boven een dorre en gebarsten uitgestrektheid En soms… Soms is Ze er gewoon. En altijd verdwijnt Zij als de slaap of het zelfbehoud met geharnaste hand zijn hart uitperst als een rotte sinaasappel. ‘En vannacht?’ Terwijl Zij haar bril in een briljant gebaar afneemt. ‘En morgen?’ Nog voor hij Haar kan onderbreken. ‘Volgende week? Volgend jaar? Over tien jaar?!’ Haar woede is heilig, maar het is tevens de zijne. ‘Over tien jaar ben ik dood’ kreet hij, schor als een woeste raaf ‘als Jij blijft gaan waar ik niet kan bestaan!’ Zelfs hun ruzies zijn iets uit een intens stimulerende opera, klassiek en archaïsch in zijn epiek. En zij begrijpen elkaar volkomen, zoals altijd. En hij begint zachtjes te huilen. Om de prachtige lenzen voor haar adembenemende ogen Haar kleine sproeten, als sterren aan de nachtlucht Haar lange haar Haar melancholie en getekendheid waar hij tegen aan wil kruipen Haar cynisme en haar sarcasme; haar begrip Haar ambitie Haar bewustzijn van alle kleinzielige dwaasheid die hen omgeeft en hen steeds dichter tegen elkaar aandrukt.
Ik schrik wakker van de regen, strelend tegen het raam, en het gewicht van elke voorgaande avond meetorsend, sleep ik mij moedeloos naar bed. Over tien jaar ben ik dood. Maar nu, nu zal ik dromen.
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2007.04.29 16.38
Dansen Gillen Brullen Lachen
Van onder vragen wij Niet zo hard te twijfelen balen falen Na het bouwen van jullie rijk enkel arm
Het Vermiste, het Element
Fundament
Baal Faal Stamp niet zo hard Vlieg op! We krijgen hoofdpijn.
Lachend Gillend Dansen wij
Swingend Fundament
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2007.01.16 19.01
Woest wezen
ik wil geen samenraapsel zijn van citaten van woorden en zinnen; ideeën die ontsproten zijn aan andermans geest en die ik mij toegeëigend heb alsof ze van mij zijn zonder dat ik weet dat ze dat niet zijn dat ik misschien wel van dat soort zelfbedrog ben bezeten in mijn gevecht voor het eigene en de strijd om het pure die alleen in mijn fantasie bestaat ik ben een gesneuvelde soldaat geveld door een oorlog waarin het onechte oprukt het echte steeds verder in een hoek drukt haar plat walst en triomfantelijk over haar heen marcheert
in mijn dromen ben ik vol woeste schoonheid die verwaterd bij de aanblik van realiteit welke mij iedere keer mijn plek wijst en ik laat me mijn plek wijzen ik wacht tot mijn woeste geest zich een plek naar buiten zal woekeren met het risico op verstoting het moment dat mijn laatste flardje adem de angst weg zal blazen tot dan koester ik mijn dromen waarin ik ben een woeste vrouw
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2007.01.12 10.54
Het ontstaan van de vrouw en daarmee ook het verlangen,de balans,en de voortplanting.
Vroeger ,toen mensen nog geboren werden uit schelpen, waren er alleen maar jongetjes. En niet zoals we ze nu kennen, neen, deze jongetjes waren lelijk en lomp. Elke keer als er een schelp aanspoelde en deze geopend werd, volgde er een zucht van teleurstelling "alweer een jongetje, en zo lelijk". Omdat iedereen zo lelijk en onaardig tegen elkaar was, leefden de jongetjes afgezonderd.
Nu zul je je afvragen, wie stopte dan die jongetjes in schelpen? Welnu, daar was een speciale Godin voor. Elke dag baarde zij jongetjes en kuste hen hun schelpjes in.
Als zo'n schelp aanspoelde zeiden de jongetjes "Oh Godin, spoelde er maar een wezen als u aan. Dan zou het schone van de vrouw zich vermengen met het lelijke. De zorgzaamheid de lompheid milder maken. Oh mooie Godin, geef ons uw spiegelbeeld Maak ons tot mens, niet enkel tot man. "
Samen fluisterden de jongetjes hun wens in een schelp en lieten deze uit hun handen glijden, de zee in, terug naar de Godin. Toen de Godin deze schelp ontving was ze verbaasd, nooit kreeg zij schelpen terug. Maar toen ze de schelp opende, vulde haar hart zich met verlangen. Verlangen een deel van haar te delen met de jongetjes.
Maar de Godin was al oud en daarom besloot zij evenveel meisjes als jongetjes schelpen in te kussen en opende telkens , vlak voordat ze hen de zee in blies, even de schelp gevuld met verlangen. Waardoor de jongetjes en de meisjes naar elkaar verlangden en voortaan zelf mensjes konden maken.
En zo kwam de vrouw op aarde
Bonny Ellens 12-1-2007
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.11.07 22.52
Tien bladzijden
Tien bladzijden nog daar lig jij te wachten tot ik je uitlees
Maar ik vertik het want ik weet dat de leegte van dat wat nooit meer zal zijn
Groter is dan de leegte van dat van, ja maar misschien toch....
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.10.04 13.01
Ik wilde alleen even zeggen...
(Eigenlijk een oud schrijfsel, van 24 april 2005. Maar toch.)
Vier handen, een hart van twee. Vingers om elkaar gesloten, en een glimlach om elkanders lippen. De blakende zon stralend op verblijde gezichten, een kalm zuchtje wind die haarlokken mee voert richting dromerige wolken. Het zand onder blote voeten, tenen die in de plakkerige korrels woelen voor standvastigheid. Kijk, een schelp! Water dat tot aan de knieën stroomt, golven die de onderzijde van opgerolde broekspijpen aanraken en dan gauw weer wegvluchten, om dan toch weer, oh zo voorzichtig, dichterbij te kruipen. Een arm veilig om de schouders, hoofd geborgen in de curve van je hals, en een gevoel van geluk voor één moment, voor één hart, voor jou en mij. Dat is mijn droom, en dromen zal ik.
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.08.14 20.54
Voorzichtig open ik mijn ogen, merk dat de nacht nog leeft om ons heen sluiert haar adem stokt om onze geheimen te bewaren.
Voorzichtig draai ik me om, zie dat je nog naast me ligt. de behoefte aan zuurstof die jouw perfecte borst op en neer laat gaan maakt mij duizelig
Dan toch die zuurstof maar door mijn neus alleen jouw geur laat me leven
Daar lig je dan, mijn geheim in de nacht. Word astjeblieft niet wakker van mijn tranen terwijl ik mij in jouw hoofd droom. Droom zacht
(voor mijn alles die niet droomde)
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.08.03 13.29
Voor de show
Zoals de zolder van mijn oma, zo ruikt de zaal gevuld met mensen ook, naar kattenpis en vergane muizenlijkjes. Op momenten als deze lijkt die zolder de veiligste plek op aarde, veel veiliger dan deze zaal, ook al ruiken ze hetzelfde. Vanuit de coulissen werp ik een blik op de mensen die staan te wachten tot ik ga spelen. Ze mogen dan vertrouwd ruiken, hun aanblik is alles behalve dat. Ik houd niet van vreemde mensen en liever zou ik alleen optreden voor een select groepje bekenden. Voor wat vrienden en mijn glazenwasser misschien, maar het platenlabel vond dat niet goed. Daarom sta ik nu hier, voor een uitverkochte zaal. Leuk is anders. Ik zie hoe de presentator tegen de menigte staat te schreeuwen. Hij lijkt weinig moeite te hebben met vreemde mensen. Waarschijnlijk kunnen het hem niet genoeg vreemde mensen bij elkaar zijn en heeft hij het liefst hele zalen vol. Lekker veel vreemde mensen, om tegenaan te kunnen schreeuwen. Als hij klaar is met schreeuwen kijkt hij verwachtingsvol naar mij en de bandleden achter me. Het moet maar weer, denk ik. Ik moet er maar weer het beste van proberen te maken, zodat de critici iets goeds over me zeggen, want dat vinden mijn ouders prettig. Ze hebben er een hekel aan als ik slechte recensies krijg. De mensen in de zaal applaudisseren en joelen nu uit volle borst. Ze hebben lang gewacht en hun geduld begint op te raken. Ik voel een misselijkheid opkomen bij het horen van zoveel uitzinnigheid en heel even overweeg ik weg te rennen en me te verstoppen in een klein hoekje tot het allemaal voorbij is. De krant zou dan schrijven: 'Rockster speelt verstoppertje met publiek.' En een dag later: 'Rockster onvindbaar voor publiek.' En weer een paar dagen later: 'Rockster gevonden op zolder bij bejaarde.' Een troostende gedachte, maar het is al te laat. Ik word het podium opgeduwd door mijn bandleden, ik moet gaan zingen vinden ze.
Het is niet zo dat ik er ooit zelf voor gekozen heb om rockster te worden of dat ik het graag wilde. Het is me zelfs niet overkomen. Ik werd er eerder door overvallen zoals een tomatenplukker wordt overvallen door een plotselinge hagelbui. Zelf was ik veel liever nieuwslezer geworden of schoorsteenveger, maar ik werd gevraagd om te komen zingen bij een bandje en voor ik het wist waren we beroemd. De anderen konden hun geluk niet op, maar ik dacht alleen aan mijn carrière als schoorsteenveger, die ik nu wel kon vergeten. Schoorsteenvegen is een vak apart en je moet er op tijd mee beginnen anders wordt het nooit meer iets.
Terwijl ik het podium op loop voel ik de misselijkheid erger worden. Het lijkt wel of de vlinders die er horen te zitten voor een optreden massaal het loodje hebben gelegd en een dikke laag humus hebben gevormd in mijn maag. Een man vooraan bij het podium met een dik gezicht schreeuwt met zijn ogen dicht uit volle borst. Hij is speciaal naar mijn optreden gekomen om vooraan bij het podium, met zijn ogen dicht, zo hard mogelijk mijn naam te blèren. Dit doe ik dus blijkbaar met de mensen. Tot overmaat van ramp zet mijn drummer het eerste nummer in. De menigte joelt harder dan ooit tevoren en ik probeer niet te denken aan de dode vlinders in mijn maag. De man vooraan krijgt zo’n rood gezicht dat ik bang ben dat hij uit elkaar zal spatten. Dat is aan de ene kant gunstig want dan heb geen last meer van hem en zijn geschreeuw, maar aan de andere kant komen er dan waarschijnlijk stukjes van zijn hoofd op mijn schoenen en dat vind ik een buitengewoon verontrustend idee. Ik pak de microfoon terwijl ik vecht tegen de dode vlinders die naar buiten willen. Om de paar seconden slik ik het zuur weg dat omhoog komt en ik voel dat ik de strijd ga verliezen. De laatste maat voor ik moet beginnen met zingen wordt ingezet en mijn maag draait al schuddend rondjes in mij buik als een trommel in een oude roestige wasmachine. Ik doe mijn mond open om te gaan zingen en dan komt alles er uit. De man met het rode gezicht wordt bedolven onder mijn oranje-gelig lichaamssap, maar ik zie het niet, ik zie alleen de zolder van mijn oma voor me en bedenk hoe fijn het daar altijd was.
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.08.01 11.25
Denk maar niet dat ik het je ooit vergeef. Jou ooit weer in de ogen aan kan kijken zonder alle voorwerpen in de buurt als mogelijk wapen tegen je te gebruiken. (Of desnoods je te slaan met blote handen, totdat mijn vlees ook overal rond vliegt.) Kracht, dat moet er in zitten. Met zo veel mogelijk kracht een zo lang mogelijke lijdensweg maken.
Denk nu niet ‘Jeetje wat een opvliegende tante.’ ‘Zo slecht is die jongeman nou toch ook weer niet.’ ‘Ze zit al maanden aan de antidepressiva, ik kwam haar tegen bij de dokter’ Denk vooral niet van ‘Hij was vroeger zo een schatje’ Er is ook een supermarkt variant ‘Hij zegt altijd zo aardig gedag’
Ik haat de hele wereld. Ik haat geroddel. Ik haat elke dag opruimen alsof er gister een feest gehouden is. Ik haat mijn kinderen omdat ze afgepakt zijn. Ik haat alcohol, want het houdt van mij. Ik haat die blauwe plekken. Ik haat het om ze te moeten verbergen. Ik haat sloeries met blond(er) haar (dan mij). Ik haat het als ze naar mijn vent kijken. Ik haat het dat hij ze neukt. Ik haat hem allermeest.
Hij.. Waarop ik elke nacht wacht, tot dat hij thuiskomt met vrienden, om vervolgens de kroegentocht te beëindigen met nog een laatste biertje, boertje, hoofd naar beneden, snurken. Hij.. Die me nooit laat uitpraten. Die dat soms wel doet, maar niet luistert en een klap geeft omdat het niet uitmaakt wat ik zeg, omdat het toch wel fout is. Hij die me zo vernedert, elke keer weer. ‘Je ben me bitch, en niks meer.’ Godverdomme daar zaten mijn vriendinnen bij! Die sletten, goed dat we het daar ook even over hebben. Allemaal achterbakse trutten. En maar huilen om problemen, haha. Ze zouden eens moeten zien dat ze die zelf veroorzaken. (Of ze dan in ieder geval zelf makkelijk kunnen verhelpen) Maar agh, het is de aandacht die ze missen. Het is de angst die ze standaard ruiken. Iemand zou het ze eens moeten vertellen.
Maar nu is alles over. Ik ben zn bitch niet meer. Zo meteen pak ik mijn spullen en ga ik op reis. Ik weet mijn God niet waar naar toe en van welk geld, maar ik kom er wel. Ik laat die vent hier rotten in zijn stank. Ik laat hem stikken in zijn bier. Ik laat hem komen in een andere vrouw. (maar dat deed 'ie toch al)
Verlaten wegen, die allen een andere kant uitgaan. Mogelijkheden en muziek. Ik pak mijn gitaar weer en ga zoals vroeger zingend het land door. Net als vroeger zal ik stranden op velden en vrijheid ruiken. Ik zal lachen en ik zal ontmoeten. Vooral veel mensen ontmoeten. Misschien is er wel iemand die mij uit de put durft te halen.
Maar waarschijnlijk niet. De wereld heeft me al zo vaak teleurgesteld. En mensen ook. Beloftes worden uitgesproken en verder dan dat komt het niet. Ik zal weer eenzaam zijn. Ik zal huilen en niet eens een plekje voor mezelf hebben.
Geen plekje voor mezelf hebben is wel gevaarlijk.. Als ik terug denk aan de vrijheid zie ik ook weer die schaduw achter me. De duistere tijden van toen, die ik heel simpel weg probeerde te lachen. Ik wil niet eenzaam zijn. Ik wil niet zwerven. Ik wil niet geconfronteerd worden. Ik wil niet vluchten. Als je het zo bekijkt, heb ik het hier niet eens zo slecht..
Ik heb tenminste een vent, snap je? Niet de perfecte, maar toch, zo slecht is hij nou ook weer niet. Hij heeft me nooit verkracht. Hij heeft me er nog nooit uitgegooid. Ik woon samen met hem, dus eenzaam ben ik niet. Agh, ik ben gewoon een opvliegende tante. Ik zit aan de antidepressiva en met alcohol wil dat nog wel eens fout gaan. Het ligt gewoon aan mij. Wat maakt het nou uit dat ‘ie dit keer met mijn beste vriendin naar bed is gegaan? Met andere vrouwen doe ik er ook niet zo moeilijk over. Zo slecht is hij echt niet, geloof me, hij is heel sociaal en zegt altijd iedereen gedag. De buitenwereld vind hem zo knap. Ik heb een knappe man. Daar moet ik blij mee zijn.
Tóch zit er iets dwars, een traan loopt langs mijn wang. Ik denk dat ik even een vriendin op bel..
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.06.19 09.20
Een engel uit een eerder leven Brengt woorden diep in de nacht Gegiechel uit het verleden Zorgen voor emoties die niemand had verwacht
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.06.18 17.44
Verbonden
Kilometers vertrouwen, Verbonden door vlinders. Vliegende woorden, Gevoelens door de lucht.
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.06.13 12.26
Mijn gympie zuigt het water op dat zich onder mijn voet bevind. Overal waar ik kijk zie ik plassen, water, vochtigheid. Het is ijskoud en de rillingen lopen over mijn rug. Langzaam word ik opgeslokt in het vochtige donker. Het geluid van mijn schoenen dringt zich via echo's mijn oren binnen. Bijna gelijktijdig met kleine schockjes verwarde gevoelens. Angst in mijn adaeren, huis in mijn hoofd dat niet kan wachten zich hier te vestigen. Twijfel pingpongt heen er weer in mijn hoofd. Verder lopen? Mijn vraag werd beantwoord door een snik, die uit de hoek links van me schijnt te komen. Een druppel op mijn hand. Een rots met bewegende snikkende schaduw. Als ik langzaam dichterbij kom vraag ik me af; wat doet hij daar? Een mormel in een hoekje, een beest bang in het donker, een van verdriet mooi wezen. Het fasineerd mij, omdat ik het bloed, de angst, de schuld kan ruiken. Ik probeer contact te zoeken met de duivel van angst, maar hij wijst met lange vinger, die druipt van het bloed, richting een donkere gang. Ondanks alle verwarrende gedachten die net door mijn hoofd raasden, voel ik me op mijn gemak en loop richting de donkere gang. Als ik na een paar minuten lopen nog niks heb ontdekt betwijfel ik of de duivel wel echt was geweest. Is dit geen vreemde droom? Ik kan me niks meer herrineren, geen dagelijkse gedachten waarop ik me kan concentreren, ik weet alleen nog dat ik hier ben. Op deze plek, dit moment is hetgene wat alleen leeft. Maar waarom deze gang? Door mijn duiveldagdroom? Ik had er nog even niet bij stilgestaan dat je geen duivels ziet normaal. Maar wat is normaal? Dit moment. Nu is het enige wat telt, en als daar een duivel bij is, is de duivel ook mijn nu. Mijn nu met bloed. In de verte zie ik tot mijn verbazing een fel licht, dat dimt terwijl ik dichterbij kom. Een troon is het eerste wat ik zie. Het goud trekt mijn aandacht zodat ik eerst niet doorhad dat hier wel tientallen duivels zaten. Wel tientallen die hun klauwen voor hun ogen hadden, angstig in elkaar gekropen, half achter rotsen. In het vochtige donker, om goudse troon. Ik loop naar de stoel toe, laat mijn vinger over het goud glijden. Kouder dan ik verwacht had, maar het trok een warme rilling door mijn lichaam die zei dat ik moest gaan zitten. Ik voelde dat ik het goud niet verdiende. Goud was neit voor mij weggelegd. Dus nu was ik schuldig aan mezelf. Ik was het niet waard maar kon het niet helpen. Ik keek naar boven, stalagtieten, drupels, donker. Rood. Rode tranen stromen ineens uit mijn ogen, kleurde mij en het goud rood. De wezentjes, die het bloed roken keken op en huilden mee. Dit was pas mijn thuis, mijn thuis uit mijn hoofd. Mijn nu. This is the place where all the devils bleed.
ja ik post weer, want ik wil feedback. ik vind persoonlijk dat ik een writersblock heb, niks komt eruit zoals ik wil
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.06.12 14.40
ik heb ook jou nodig
Een roep, een schreeuw als een vogeltje geel
teer en zacht gilt zo hard maar jij zo verlangend
wat troost arm om je heen geen
vogel die kan vliegen zonder bron energie
nu is ze op uitgevlogen verdriet
dat jij niet wou zien.
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.06.07 17.18
een klap in mijn gezicht kwam hij van voren met een glimlach en een traan het was niet zo alleen vanwege omstandigheden gesloten
varen wij nu onze rivier met kano's gemaakt van gevoel en hart botsen wij steeds weer tegen elkaar, niet wetend dat het ooit één kano is geweest
als ik nu zeg dat ik niet meer voel dat ik niet meer weet wat het was dat ik steeds zeg, nee, het was niet zo
zou ik mezelf dan nog geloven mezelf nog vertrouwen, zou ik eerlijk zijn tegenover de rest
als ik ooit maar nog een keer wat kan doen nog een keertje, een keer teveel ik weet het hij is te groot te onbenullig te moeilijk en zo simpel
waar haal ik mijn haat vandaan, achter mijn oog zit zo'n puntje naast die andere, die van lust haat en lust ik moet echt stoppen....
datwashet ikkomeraan nogevenendan kanikmezelfaanjougeven
ik moet kotsen

Mood: sad Music: æstrid
|
|
 |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
| |
2006.01.10 23.59
mijn leven op een moment van de dag zo weer gekomen zo weer weg hou je vast
lees 'm uit, of helemaal niet...
dankje..
( Read more... )
|
|
 |
|
 |
[ << Previous 25 ]
|
|